Afgewezen worden op de kunstacademie te Wenen en andere oorzaken

door: Marlin Burkunk

(verslag 2e zomerwedstrijd, woe 5 juli 2020, mylaps)

(zie ook: reactie van Bas op dit verslag)

Er zijn er voor minder een wereldoorlog begonnen. Rood haar. Een afwijzing op de kunstacademie in Wenen. Noem maar op. De geschiedenis kent veel voorbeelden waarbij een bepaalde krenking in de jeugd grote gevolgen had. Bij mij is dat, vanaf mijn jeugd, ‘beschouwd worden als dom’. Ik kan er niet tegen. En later, toen ik ging wielrennen, kwam daarbij:  ‘beschouwd worden als domme renner’. Daar kan ik helemaal niet tegen. Ik lig er wakker van...

Gelukkig vergeet de jury na de wedstrijd van zondag 5 juli 2020 de befaamde fles wijn uit te reiken. Daarmee hebben ze een wereldoorlog voorkomen. De fles is, zoals iedereen weet, bestemd voor de Meest Aanvallende Renner. Het is de tweede keer op rij dat ik hem win. Iedereen die langer fietst bij de FC Trappist weet dat dit de prijs is voor de Domste Renner. Groter kan wat mij betreft de vernedering niet zijn. Een prijs krijgen voor dom gedrag. En dan twee keer! Op een hele onaangename manier herinnert de prijs je aan het feit dat je dus niet de juiste beslissingen hebt genomen tijdens de koers. 

In de eerste Trappist-wedstrijd vorige week (woensdag 1 juli 2020) valt de ontvangst van dat flesje troost mij mee. Ik ben niet dom geweest tijdens die koers, durf ik hier wel te beweren. Kijk naar het wedstrijdverloop. Jack van Honschoten rijdt al een tijdje in die wedstrijd in zijn eentje krachtig voor het peloton. Tussen Jack en het peloton rijdt Joop Vangangel, een sterke en sympathieke renner die dit jaar bij de A. is gekomen. Hij is door zijn aanvalslust beland in de zogenaamde chasse-patat. Zonder iemand in mijn wiel mee te nemen (slim!), spring ik naar voren, rijd het gat dicht op Joop. Joop sluit niet meteen aan want het gaat hem te hard. Ik kijk om, vloek en laat me iets vallen om hem op te halen. Gelukkig houdt hij, als ik opnieuw voorzichtig aanzet, wel mijn wiel. Kop over kop (slim!) rijden we naar Jack. Deze slimme jump van mij, is beslissend voor de wedstrijd. 
Kopgroep van drie, op zo’n 100 meter voor het peloton. 'Het zou moeten lukken om weg te blijven, want Joop verzaakt niet en kan zo’n 40 km/u gemiddeld rijden', gaat er door mij heen. Het is nog wel een half uur peddelen, waarbij Joop af en toe begint te kraken. Maar Joop houdt netjes vol en we rijden uiteindelijk zo’n halve minuut voor het peloton uit. Met veel genoegen stel ik mij voor hoe in het achtervolgende peloton iedereen elkaar uitscheldt omdat er natuurlijk niet goed kop over kop gereden wordt. De bekende wieltjeszuigers blijven alleen maar achterin plakken en willen niet werken. Heerlijk. Ik zie de verhitte en verontwaardigde kop voor mij van onze voorzitter Mart. Hij laat zich uiteindelijk maar naar achteren zakken. Omdat er toch geen eer te behalen is aan dit zootje ongeregeld...
Ikzelf doe in onze kopgroep netjes mijn kopbeurten en schat mijn kansen in voor de winst. Want ik ben natuurlijk geen domme renner en ook niet van gisteren. De kans om te winnen is met Jack er bij helaas nagenoeg nihil. Jack rijdt al een paar seizoenen soeverein. Niet alleen als hardfietser maar hij kan ook goed sprinten. Alleen bij de Grand Prix Ger Hermans op Sloten vorig jaar werd hij verslagen door Jan Repko. In de sprint nog wel.
Joop hangt de laatste ronden aan het elastiek. Ons treintje zakt naar 38 km/u als hij op kop komt. Als slimme renner constateer ik dat dit een goed teken is voor mij. Ik heb niets te vrezen. Of speelt hij toneel en spaart hij voor de sprint? Ik probeer mij te herinneren of hij bij de B. een goede sprint had. Ik neem (slim!) geen risico. Op 2 rondes voor de finish geef ik er een snok aan om te kijken of hij kan volgen. Ook dat pakt goed uit. Jack komt al snel weer in mijn wiel maar ik zie Joop kleiner worden. Joop exit maar kan wel netjes derde worden. Met Jack rijd ik naar de finish. Hij wint de sprint. Jack de bloemen, ik tweede en de fles wijn.

In de tweede zomerwedstrijd, vier dagen later op zondag 5 juli, lukt het Jack en mij om weer een kopgroep te formeren. Iets later in de wedstrijd gelukkig en nu met vijf renners. Dat is nog beter. Samen met Dirk Gerritsen, Rinus Cerfontaine en Bas Klein geven we het peloton het nakijken. Nou ja, vooral Jack en ik geven hard gas om het gat zo groot te maken dat het peloton de jacht op het opgejaagde wild zal staken. Vooral het rechte stuk naar de finish met keihard wind tegen is de plek om het verschil te maken, denk ik (slim!). Het peloton kruipt daar namelijk achter elkaar omdat iedereen te laf is om tegen de wind in te boren. In de kopgroep geef ik op die strook naar de finish dus extra gas. Helaas verliezen we daar Rinus, Dirk en Bas een paar keer. 'Verdomme,' roep ik tegen Jack. 'Die kuttenkoppen volgen niet.' Ik kijk achterom en zie over de ruggen van de drie renners het peloton dichterbij komen. Jack mompelt iets van: 'Dan gaan we wel met z'n tweeën verder'.
'Nee', roep ik resoluut. 'Dat is veel te hard werken! Dat redden we niet.' Ik kijk nog een keer achterom: de drie afvalligen zijn begonnen kop over kop terug te rijden. Daarachter komt een achtervolgende groep akelig dichtbij. Jack en ik houden in en we zijn weer met z'n vijven.

Ik neem mij voor om niet meer te hard op kop te rijden en probeer ook Jack daarvan te overtuigen (slim!). Na 5 minuten hebben we weer een goed tempo en wanneer we de laatste bocht van het parcours door komen, kijk ik naar de overkant om te zien hoeveel meters we op het peloton hebben. Ik zie niemand. Zelfs als we bijna bij de finishlijn zijn en het hok passeren, zie ik nog steeds geen peloton achter de bomen tevoorschijn komen. Een heel goed teken. Ze hebben het opgegeven. We peddelen verder.
Ik zie steeds ongeveer 40 of 41 km/u op mijn teller. Dat is hard genoeg. Na een paar rondjes begint Dirk te sputteren. Hij moet lossen. Ik roep nog naar Jack of we op hem moeten wachten maar ik realiseer mij (slim!) dat we daarmee het achtervolgende peloton weer in de kaart spelen. Dat is zonde. Dan maar zonder Dirk. Dirk exit.
We zijn over met Rinus en Bas. Ik monster de groep. Dat is niet best. We hebben bij ons: de beste sprinter van de FC en de grootste verzaker van Amsterdam en omstreken. Die ben ik nu naar de finish aan het brengen, bedenk ik mij. Is dat slim?
Zeker met Bas heb ik nog een appeltje te schillen. Twee jaar geleden in Beverwijk was ik met hem weg in een kopgroep van vijf. Hij deed geen trap op kop. En steeds maar huilen dat het allemaal niet ging. De laatste ronde zat hij plotseling op de tweede positie en won de sprint van Sander Baars, de renner notabene die Bas naar onze kopgroep gefietst had. Ik werd derde. De finishfoto was veelzeggend: je ziet Bas winnen en daarachter Sander met het fuck you-gebaar. Maar ja, dat is koersen zeggen de specialisten dan. Bas was een slimme renner.
Bas begint al eerder dan ik verwacht met zijn acteerspel. Met nog een kwartier te gaan komt hij niet meer op kop. 'Nu moet je slim (!) zijn, Marlin', denk ik verhit. Ik peins me rot. Wat te doen? Het is een beetje catch22. Samen met Jack weg gaan lukt niet. Rinus pareert met zijn sprintersbenen altijd heel sterk. En daarachter zit dan altijd Bas, in het wiel van Rinus. Ik kan ook gaan linkenballen en geen kopwerk meer doen. Maar dat zal voor te veel onrust zorgen, waardoor onze snelheid zal gaan zakken en we misschien ingelopen worden. Kansloos.
Ik probeer af en toe Bas te bewegen een kopbeurt te doen door mij te laten vallen tot de laatste renner en dan 'tussen' te roepen, waardoor hij gedwongen wordt een plaats op te schuiven. Maar ook dat gedoe is niet bevorderlijk voor de snelheid van de kopgroep. Het slimste is natuurlijk om Bas, als hij toch een spaarzame kopbeurt doet, en zich vervolgens zich heel strak langs de rest laat afzakken, een klein beetje 'erg' naar de rand van het asfalt te dwingen, waardoor hij misschien... Maar nee. Dat is niet alleen dom, maar ook gemeen. En dat vind ik het niet waard. 
Gevangen in deze paradox rijd ik de laatste ronde in. Tevergeefs doe ik een paar ontsnappingspogingen. Uiteraard rijdt Jack alles dicht, met in zijn wiel Rinus en Bas. Iedereen let op elkaar. Nog een halve ronde en de snelheid van de kopgroep daalt tot 35 km/u. Maar dat maakt niet uit, denk ik (slim!), want we hebben een enorme voorsprong. Bij het lange, laatste rechte eind voor de bocht naar de finish is de ratio, zoals altijd bij mij in die fase van de wedstrijd, ver te zoeken. Ik doe maar wat. Jack rijdt voorop, Rinus en Bas houden nog even hun benen stil. Intuïtief kies ik het wiel van Jack. 'Dan word ik 2e', denk ik (dat was achteraf misschien niet zo slim, want de kans is groot dat ik de wind voor Rinus of Bas breek maar ja, kies ik de laatste positie dan word ik sowieso vierde want ik kom niet langs die sprintkanonnen). We komen met z'n vieren bij de laatste bocht voor de finish. Jack zet aan, ik houd zijn wiel. Achter mij voel ik helaas Rinus komen, ik ben gezien en nee, het ergste gebeurt ook nog: Bas komt op 1 meter voor de streep ook nog over mij heen. Verschrikkelijk!
Ik word vierde.
Ik hoor Jan R. en JM alweer rondtoeteren: 'het blok beton uit Watergraafsmeer is weer dom geweest. Hij rijdt een half uur zijn longen uit zijn lijf en hij werd vierde!'.
Wat een kutzooi. De vernedering is groot. Ik rijd samen met Rinus uit. Ik vloek hardop. Daarna feliciteer ik Jack. Hij heeft gewoon weer goed gereden. Verdiende winnaar. We draaien naar het hek van de ambulance. Rinus vertelt mij nog: 'Ik zei nog tegen Bas: Laat Jack en Marlin maar om de eindsprint strijden maar hij wilde niet luisteren'. De wedstrijd is afgelopen. Mijn hartslag kalmeert. Ik keer om en rij langzaam terug naar het hok. Ik denk: tja...dat is koersen.
Bas is nergens te bekennen.
Ik speel even met de gedachte een wereldoorlog te beginnen. Ik geef mijn bevelhebbers van de lucht- en landmacht de opdracht om te mobiliseren. Ik rol in gedachten een kaart uit van de wereld. Maar al snel laat ik die idiote gedachten varen. Laat ik de wijste zijn, mijn verlies nemen en al het onvolmaakte in het bestaan aanvaarden.
(Dat is pas slim!) 

> uitslagen